Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zag twee mannen die een plank en touwen droegen en

bliksemsnel ging het door zijn hoofd:

„Niet bang wezen! Je goed houden! Ze komen ons helpen! Waar is Eddy! Waar is Eddy?”

Hij keek om en zag Eddy — met het hoofd alleen nog boven water — vlak bij zich.

„Ik kan niet meer! Ik kan niet meer!” hoorde hij hem roepen.

Eddy was aan het zinken! hij zag het duidelijk. En op eens

stond dat schrikbeeld voor Kees’ ogen: „Eddy verdrinkt! Eddy verdrinkt!

„Toe dan toch! Help! Help! schreeuwde Kees tegen de twee mannen, die nu geen honderd meter meer van hen af waren.

Toen greep hij Eddy in zijn kraag en duwde hem, zo goed als het ging, naar boven.

O! Wat was Eddy zwaar! En wat waren Kees’ handen nu stijf! Als hij hem maar zo lang boven kon houden, als hij hem maar niet losliet!

„Toe, Eddy, toe, nog ’n minuut!” smeekte Kees.

Het was, of Eddy niet meer hoorde, wat Kees zei. O, wat duurde het lang, tot die mannen er waren! Waarom liepen zij niet harder? Zagen zij dan niet, dat Eddy zou verdrinken, dat hij ging sterven?

„Bram, Henk! Help dan toch! Help dan toch!” klonk het wanhopig.

Maar de hulp van Bram en Henk was niet meer nodig, de twee mannen wierpen de plank op het ijs en een van hen lag reeds — met het touw, dat de andere vasthield, om zijn middel — vlak bij de drie drenkelingen.

„Hier! Hier! Hij eerst! Hij eerst!” schreeuwde Kees en hij duwde Eddy met al de kracht, die nog in hem was, boven water.

Ook de man op de plank zag dadelijk, dat voor Eddy hulp het meest nodig was. Met een forse greep vatte hij Eddy bij zijn kraag; toen trok hij uit alle macht en langzaam zag Kees zijn vrind op het ijs schuiven.

Er was geen beweging meer in het lichaam; roerloos stil lag Eddy daar naast de plank.

Sluiten