Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHAATSENRIJDER.

Over donk’re, gladde baan Zwiert de schaatsenrijder,

Wijder, telkens wijder Wordt zijn breede kloeke draai,

’t Krachtig maar toch lucht gezwaai, AI maar verder, rustig verder In de vallende avondstond,

Naar de roode horizont.

Handen diep in duffelzak,

Bontmuts over d’ooren,

Snijdt hij fijne voren Met het blanke, scherpe staal, Zwiepend bij eiken nieuwen haal, Zwenkend omme, telkens omme, Wonderkunstig hoe hij zweeft, Schijnbaar zich geen moeite geeft.

Alles lijkt zoo leeg en ijl —

Door berijpte weien,

Lange slooten reien, n Kerkenspitsje aan de kim, n Dorpscontourtje, ’n molenschim,

t Is al star en strak en verder

Zwiert de rijder op zijn baan,

Of hij eeuwig door zal gaan.

M. A. de Wijs-Mouton.

Sluiten