Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AVONTUREN OP EEN ELF-STEDENTOCHT.

De volgende morgen was ’t heel vroeg; dus zou ’t niet aardig zijn, iets onwelwillends te zeggen van Sneek op een Januarimorgen als de dag zich op z’n onvoordeligst inzet. Er was een halfwassen kellnertje in het hotel, die — ontactvol — aan ’t ongezellig ontbijt, met voos gaslicht, iets gezegd had over de harde wind, die verkeerd om liep en dat ’t kwaad rijden was daar tegenin. Ik snauwde hem af en stelde hem de vraag, of hij wel uit Friesland kwam.

— „Nee,” zei het halfwasje; hij was achter uit Gelderland.

— „Dacht ik wel,” gromde ik.

Hoe zou een Friese kellner iets in ongunstige zin over het weer hebben kunnen zeggen aan het begin van een schaatsenrijdag!

Buiten krabbelden de jongens, vóór school, op de gracht. En bij de Waterpoort hadden de baanvegers al goed werk gedaan.

De Waterpoort in Sneek moet je van het ijs zien; die staat hoog over de bevroren gracht, en haar twee torentjes strammen recht-op, alsof er een onneembare Oud-Hollandse veste achter lag.

Daar reed ik al de Geeuw langs — en dacht niet eens aan een goedkope, doch toepasselijke woordspeling op dit matineuse begin.

Buiten Sneek breidde zich het water tot een kloeke vaart, dan tot een statige rivier, en werd al wijder naar weerskanten, zodat de benaming mij duidelijk werd.

Ik reed alleen, en zocht naar links, of die trage zon niet uit de bloedrode plooien van haar winterbed kwam kijken. Maar die overmoedigheid wreekte het ijs, want daar was wat bomijs, en meteen zat m n schaats vast, en om niet te vallen rukte ik los, en m-eens schaatste ik op één voet, want de andere schaats was achtergebleven.

Toen ben ik midden-m de Geeuw op het onverwarmde ijs gaan zitten, naast de schaats, waarvan de riem afgeknapt was. Ik zocht

Sluiten