Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de reserveband, die om mijn middel moest zitten, voelde geen reserveband, herinnerde me in-eens heel duidelijk, dat ik aan het ontbijt het onverzettelijke gevoel had gehad, dat ik iets had vergeten, maar toen niet wist wat; en verder in mijn gedachten door het kellnertje was afgeleid. Ik wist nu, wat ik had vergeten. De Geeuw begon zijn aantrekkelijkheid te verliezen. De zon, die juist op kwam, vond me wat landerig zitten. Ik dacht over schaatsenrijders-middelen, aan een schoenveter, aan mijn slipdas, aan zakdoekrepen.

Toen kerfde naast me ’n schaatsenrijder z’n vaart stil. Hij zei iets totaal onverstaanbaars. Het had Russisch of Japans kunnen zijn. Ik begreep evenwel dat het Fries was. Een antwoord was daarom van mijn kant overbodig, leek me. Er kon niemand te bedenken zijn, die ’s morgens vroeg, midden op de Geeuw, voor zijn genoegen op het ijs ging zitten. Toen zei de schaatsenrijder naar mijn schaats kijkend:

— „Is je reed stikken?”

Dit begreep ik wel zowat; ik antwoordde, met voorgewende vriendelijkheid, dat mijn schaatsenriem gebroken was, en dat niet zo maar te maken scheen. Die brave kerel heeft me daarop in ’t Fries een aantal raadgevingen aan de hand gedaan, welke bij ons in Holland in zulke gevallen ook gul ten beste gegeven worden. Maar hij deed meer. Toen hij de ernst van het geval terdege had vastgesteld, zag ik hem kordaat zijn jekker losknopen, al de knopen van zijn vest losmaken, zijn dikke borstrok opstropen, zag ik hem zijn bretel lospeuteren. Het was een brave kerel, en ik liet hem begaan. En terwijl hij in zijn welsprekend Fries doorpraatte, haalde hij zijn bretels omlaag en met zijn mes sneed hij een van de galgen af, en knoopte die handig om mijn schaats.

— „Je broek zal afzakken,” zei ik, met hartelijkheid in mijn stem. Er zijn opofferingen van onze medemensen welke ons plotseling week kunnen maken. Maar hij, altijd in het Fries, gaf een antwoord dat ik meende te begrijpen; want met zijn twee handen in zijn broekzakken reed hij voor mij uit, en ik zo gelukkig als een koning, reed achter hem aan.

Sluiten