Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schutten; dat zou weer hardrijden worden straks. Ik kwam wat Balkers tegen, en waar het meer zich versmalde leidde de baan hun dorpje in. Weer huisjes links en rechts en overal de klapbruggetjes hoog-op, de draaibruggen open.

Daar achter lag nu Gaasterland.

Maar in een koek-en-zoopje, waar ze om een harmonika saliemelk dronken en van mekaars ijsverhalen smulden, wogen ze wat zwaar tegen die tocht op Stavoren an. Dat moest ik nou niet te licht vatten, zei de man, die de saliemelk schonk, want zo eenvoudig kwam je maar niet in Stavoren, als je hier niet thuis hoorde, zoals ik dan toch zeker niet was.

En of ik wilde of niet, daar werd me Wiebbern meegegeven, die toch naar Galamadammen ging en die zou me wel loodsen.

— „Nou, Wiebbern,” zei ik, „dan maar saam, dat is altijd gezelliger dan alleen!”

— „Dat is ’t nog net altied,” sprak Wiebbern. En toen zei hij geen woord meer tot we op de Mor ra waren.

Hij reed voorop met zijn schippersslagje, vaste korte streek, wat wijdbeens, maar stevig en altijd gelijk tegen de wind op, die hoe langer hoe meer naar ’t westen kroop.

Van Balk was ’t een vaart, die smal leek na de onbegrensdheid van de Slotermeer; er waren dwarsvaarten, die ik telkens wou inslaan; toen scharrelden we ’n sloot met geel ijs op; die keer stapten we over. Achter ’n dijk vonden we ’n verborgen baantje, dat windvrij was. Wiebbern zei niet veel, maar hij wist dan wel waar ’t gladste ijs lag.

Er was daar een lange vaart, die me veel te kort scheen; dat heette De Luts. ’t Ging er langs, dwars door Gaasterland. De twee kanten hielden onze baan diep en veilig af gedamd; links liep een weg met hoge linden, die wel bladkaal stonden, maar toch deftig daarheen leidden; telkens lag er een statig stijf landhuis, de muren wit-gepleisterd, zoals we ze van oude gravures zo graag afkijken, om zeventiende-eeuws Holland in onze herinnering te laten herleven. Rechts van de vaart groeide een warrige strook laag hout, nu winterdood, met triestig gewriemel van zwarte takken; vlak

Sluiten