Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de wal staken de berken wat hoger op; maar hun witte stammen hadden nu geen kans op effekt in het winterlandschap. Takken met verschrompelde katjes er aan, bogen over de vaart, en omdat het ijs daar ’t zwartst was, joeg Wiebbem er langs, en ik er achter. Dan moesten we bukken, scheerden rakelings langs de takken; soms zwiepte er een met n speelse zwaai vlak in ons gezicht.

Tussen het lage hout hing een grijze lage damp.

Er was geen stemmiger omgeving te bedenken dan Gaasterland in wintertooi.

Zo schaatsten we het winterbos uit, en in-eens waren we weer buiten, op het kale, vlakke Friese land. De vaart begon zich te wijden, voor ons lag weer zo’n grensloze vlakte van ijs.

Daar eindelijk, kwam Wiebbem aan het praten.

— „Je rijdt niet slecht,” zei hij, „tenminste voor iemand uit Holland.”

Ik antwoordde iets, dat we daar ook volop in het water zaten, en dat, als ’t vriezen wou, er ook wel gelegenheid was om een slag te doen.

Maar ik had Wiebbem moeten laten uitpraten: want nu we naast mekaar de verlaten vlakte overstaken, die hij de Morra heette, kwam hij op z’n Fries los:

— „Je bent hier wat vreemd, man, maar als je hier maar niet

efkens kwam kijken zou je weten, dat hier om de meren altied de beste rieders vandaan zijn kommen

Ik liet hem graag vertellen.

— „Jullie hebt nooit ’hoord van Dolle Matze; — eigenlijk hiette-nie Dolf. Maar ze kenden ’n allemaal als De Dolle.

„Zomers was t n kalme beurtschipper in de binnenvaart, maar s winters begon-ie te spoken. Hij kon je op driehonderd meter

afstand zeggen, of ’n rieder je tegenkwam of van je af reed

D r is d r niet een, met nog zulke beste ogen, die ’t je op tweehonderd meter vast kan zeggen; ’n schaatsenrijder met ’n vaste slag toont krek-eender voor- als achteruit.

„De Dolle stond op z’n schaatsen zo lang als d’r ijs in het

Rijpma, Jonge Kracht. I. 12

Sluiten