Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van ’t nooit volprezen Arragon —

Gij voelt in merg en knoken Den barren winter spoken!

„En hebt gij Naarden uitgemoord, Tot nieuwen roem stuw ik U voort!

Een vestingmuur vernielen Is der soldaten edel werk,

Maar, als de valk op breeden vlerk Jaagt achter hazen-hielen,

Kunt gij ’t op Geuzen-kielen!

„Aan de overzijde van het IJ Beleeft de Geus een bang getij;

Der schepen zijn er zeven:

De Kickuyt, Kaper, Vlug, de Meeuw, De Rooie Hein, de dolle Zeeuw En t Onverhoopte Leven,

Dat — niettemin zal sneven!

„Het water stolde tot kristal En draagt der mannen duizendtal, Maar het is glad geslepen!

Wie dus op ’t marmer van Madrid Of ’t mos rondom Valladolid Een schoone in lachend dwepen Ten bolero mocht slepen,

„Die is op dezen dansvloer thuis! Maar ’t lompe huurlingen-gespuis,

Dat uit de donk’re holen Van Keulen, Luik of Bazel kwam,

Dat sla zich ijz’ren punt of kram In de ongewisse zolen,

Uit vrees voor capriolen!

Sluiten