Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar lachte al wat een Spanjaard was En drong in den beleeg’ringspas Vooruit op Holland’s Geuzen.

De zakken werden leeg geschud,

Het zand gaf wank’len voeten stut — „Wraak voor bevroren neuzen!”

Was voor dien dag de leuze.

Zij stelden ram en ladder recht,

Het vuur werd aan de lont gelegd En de musketten knalden.

De kogels kletterden op ’t hout Als hagelslag in ’t winterwoud.

De soldenieren bralden,

En de klaroenen schalden.

Maar op de schepen klonk ’t bevel:

„Geef vuur en richt Uw bussen wel!”

En honderd kogels vlogen Recht in het spottende gelaat,

Van menig hoopvol jong soldaat,

Zij wankelden en bogen:

De nacht zonk op hun oogen.

Toen werd de Spanjaard wild en joeg Dwars door den kruitdamp naar den boeg, Met enterhaak en ladder.

En t werd een toomelooze strijd Van ponjaard, die langs kapmes glijdt,

Een arm- en vuistgefladder,

Het staal beet als een adder.

Maar nu! Van achter „Vlug” en „Zeeuw” Weerklonk een rauwe Geuzen-schreeuw, Een schreeuw uit honderd monden

Sluiten