Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En van twee zijden stoven toen De Geuzen op den ijz ren schoen,

De Geuzen, die ’t verstonden,

Die schaatsenrijden konden!

Zooals in schralen wintertijd Een meeuwenvlucht het ijs langs glijdt, Als zwaluwen langs hoeven,

Gelijk een felle wespenzwerm Den beer bestookt, die aan den berm Zijn weeken neus wil schroeven,

Waar honig valt te proeven —

Zóó scheerden op het scherpe staal Met breeden zwier en forschen haal,

In duizel-snelle kringen,

De Geuzen langs den open flank Van ’t Spaansche heir, dat, log- en mank, Trekbeenend en in springen Zich weerloos stond te wringen.

De Geuzen op de vlugge schaats,

De ruige rakkers, woeste maats,

Zij, die den baard niet scheren!

Het water is hun vrij domein, t Mag spoken of bevroren zijn,

Het water, dat zij weren Van aangezicht en kleeren!

Met blooten kop, in wollen trui,

— Aan helm en pantserplaat de brui; — De schaats onder de sokken,

Zóó schoten zij als duivels uit Op de verschrikte Spaansche buit,

Met bijl en ijz ren stokken,

En monden barsch vertrokken.

Sluiten