Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soms neergehurkt, dicht langs het ijs;

Dan hoog gestrekt, elk naar de wijs,

Als hem in kinderdagen Het schaatsen mocht behagen!

En, hadden ze een soldaat bereikt,

Dan werd hij met het mes geijkt,

In ’t hart of in de beenen;

Maar dreigde een Spanjaard met zijn zwaard, Dan bukten zij, en met den baard Gebogen naar de schenen Ontweken ze en verdwenen.

Zooals de gier zijn vlucht beschrijft En boven ’t machtloos mikken drijft Der jagers in de weide,

Zóó bleven van het Spaansch musket De snelle schaatsers onverlet,

Als ze over ’t gladde wijde Zich hoonende verspreidden.

Zij keerden, drongen op, en weer Sloeg elke Geus een Spanjaard neer.

En daar was geen erbarmen.

Het rosse licht der avondzon Gleed glanzend over Don na Don,

Die in zijn bloed, het warme,

Voorover lag in de armen.

Toen vluchtte wel de Spaansche bent,

Aan zulk een oorlog niet gewend,

In wankelen en vallen.

Wie glipte, ontving een feilen dood,

De lange baan was vochtig rood Van ’t bloed der honderdtallen,

Tot onder kaai en wallen.

Sluiten