Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Don Frederik zat scheef op ’t ros,

Aan rafels hing zijn vederbos,

En zijn fluweel aan lorren,

Hij trok vertwijfeld aan zijn baard,

Zijn snoeverij-naar-Spaanschen-aard Werd mompelen en morren En bijten op zijn snorren.

Don Frederik hing krom in ’t zaal Te midden van ’t verschrikt kabaal Der bange soldenieren:

Die renden langs den Ouden Schans,

Den toren om van Montelbans,

Links-rechts met hun rapieren Door slop en donk’re kieren.

Don Frederik van ’t hooge paard,

In feilen vriesnacht aan den haard,

Zat eenzaam in de kleeren.

Hij keek van ’t wapp’ren zijner kaars Naar ’t puntje van zijn veldheerslaars,

Dan naar den blaker weer en Dat deed hij honderd keeren.

Balthazar Verhagen.

Uit: Uit E igen Land, verzameld door L. Bückmann. Utrecht, H. Honig.

Sluiten