Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die den regisseur voorstelde en dus de regeling op zich had genomen. „Vooruit, we moeten beginnen!”

De „Wunderkinder”! Allemaal van het toneel af. Hier, wie accompagneert? O ja, jij Jet. Vooruit Noes, Cor, haast je een beetje.

Kunnen jelui niet vlugger lopen? Wacht maar even ” en vóór

de „Wunderkinder” tot klaar besef kwamen, werden zij door twee paar sterke armen opgenomen en stonden plotseling naast elkaar vóór op het toneel tegen het gevallen doek te kijken. De directeur, iets achter haar, klapte gewichtig met zijn karwats tegen zijn hoge, glimmende laarzen.

„Klaar?! riep de regisseur. „Allemaal weg, niet praten tussen de schermen.”

„Jet, denk er aan! Alles in orde? ....”

„Heden!!! Rrrrrrrt!”

„Hemel! ontsnapte aan de „Wunderkinder”, en de verbazing op haar ronde gezichtjes meiakte in dit geved de indruk nog belachelijker.

’t Was eds een zee, het gegolf vem ed die hoofden in de halfdonkere zaal, waar zij niets onderscheiden konden door het in warme trillingen opstijgend voetlicht, ’t Geluid verstomde, men kon een speld horen vallen. Noes en Cor waren compleet beduusd. Zij hoorden, als in de verte, de muziek van ’t Wunderkinder-lied, en zij schrokken bijna, toen de directeur, een beetje krakerig maar duidelijk verstaanbaar, het eerste couplet aanhief. Hij zong het flink, zonder haperen, met nogal aardige mimiek; de ldnders luisterden met verrukking, ’t Was veel beter dan anders en ’t couplet was uit, voordat ze ’t wisten.

„0, nou wij,” fluisterde Cor, meer dood dan levend, en zacht, benepen maar o zo gek klonk het uit die kindermondjes: „Wir sind zwei Wunderkinder ”

Een luid gelach steeg op, het maakte de indruk van een donderslag in de stilte. Dat gaf moed, en opeens allen schroom overwinnende, zongen Hanschen en Franzchen met leuke gebaartjes en kluchtige ronde gezichtjes haar coupletten, tot eindelijk een daverend applaus haar als uit een droom deed ontwaken.

Rijpma, Jonge Kracht. L 13

Sluiten