Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET KRUISJEN.

De kinderen speelden op ’t schelpenpad,

En deden een vond in ’t zand:

Naar huis vloog de vinder, den kleinen schat In de opgestoken hand.

Een waardeloos zilveren kruisjen was ’t,

Beschadigd door weer en tijd;

Drie lettertjes schenen er wel gekrast In t plaatje aan de achterzijd’:

De moeder bekeek het een oogenblik stil,

En noemde ’t een poover ding;

Toen grootje ’t bezag door haar pleeten bril,

Was t, of zij schreien ging.

Zij sprak: „’t heeft vóór zestig jaar mij behoord,

„Toen ik een jong meisje was;

„ t Was eenmaal mijn dierbaarste goed; ik verloor ’t.” — Toen sloot zij ’t in haar kas.

Een blinkende gulden beloonde den knaap,

Die t vond en hij zocht naar meer,

En droomde van zilver en goud in zijn slaap —

Het kruis zag niemand weer.

Tot grootmoeder stierf en te rusten lag,

Zoo stil in haar planken huis;

Toen wezen de kinderen op ’t hart: daar zag Men ’t weergevonden kruis.

F. L. Hemkes.

Uit: XL'Gedichten. Leiden, E. J. Brill.

Sluiten