Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HAAI.

De majestueuze zeestomer had midden op de Indische Oceaan een ingewandstoomis gekregen. Aangezien operatief ingrijpen noodzakelijk bleek, was de patiënt gedoemd om gedurende enige uren van ’t „knopen maken”, zijn geliefkoosde bezigheid, af te zien en zich zo rustig mogelijk te houden.

t Was middag, schitterend weer en absoluut windstil, zodat de zee een glad, rimpelloos velletje had. De vonken-knetterende seinsleutel van den marconist had met een kort, geruststellend bericht over het oponthoud en de aangevangen reparatie de aether in trilling gebracht en thans was het, behalve in de machine-kamer, waar hard werd gewerkt, aan boord volkomen rustig.

Een paar matrozen hing gezellig pratend over de verschansing. „I say,” zei een van hen, behagelijk gapend, „zo’n mesienedefekkie mos fatelijk iedere middag op ’t purgramma staon — zo van twei tot vaaf, — wat jai, Nelis?

„Vim de bakker, maotje”, antwoordde Nelis, „daór bin ik voor te porre! — maar zie je die haoie wel?”

„Nou, ik heb al verscheie van die slobbers gesien”, werd er geroepen, „ze draoie als maor rond de schuit!”

En inderdaad kon men van tijd tot tijd enige van die glanzende staalkleurige rovers in gezelschap van hun trouwe loodsmannetjes langs het schip zien zwemmen, azend op keukenafval, waarbij ze zelfs een heel groenteblikje niet versmaadden.

Het water was als licht blauw-groen kristal. De matrozen bogen nu hun bovenlichamen wat verder over de railing en begonnen naar haaien uit te kijken.

In korte tijd hadden ze er niet minder dan vier gezien.

„Sjonge, manne,” zei Arie, „da’s nou is ’n fane gelegentaid om is op haoie te snoeke! — Nelis, jai heb nog al een aordig smoesje over jenaige — al segik’et self — gao jai is mit een sacht laintje permissie vraoge — en as jai dan effe bai den kok an boord schiet,

Sluiten