Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat alle kinderen nu opkeken en zich uitrekten om naar hem te kijken.

Maar Jip, terwijl hij al meer verlegen werd, hield hardnekkig zijn vinger op.

Om hem heen gniffelden de kinderen, hingen voorover in de bank, om op zijn lei te kunnen zien.

„Ik kom bij je.”

De juffrouw kwam. Om hem zwegen de kinderen nu, luisterden benieuwd.

„O, maar Joost! dat zijn geen figuurtjes.”

Weifelend dwaalde zijn vochtig vingertje uit zijn mond over zijn lei.

„ t Is Kris! zei hij heel hoog, „en dat zijn de poesen. Dat is de moeder en dat is de jonge poes! Maar ik weet niet, hoe ’k zijn wit slabbetje moet maken.”

De juffrouw lachte.

„Hij is snoezig, dacht ze, zoo n echt lief klein kindje zóó van huis....”

Ze liep naar t bord en kwam met ’n wit krijtje terug.

„Kijk dan eens, dan zal ik de poes een wit slabbetje maken.”

Rood van ingespannen opletten boog hij voorover op zijn lei, zijn adem inhoudend, bang om te vlakken, volgde hij streepje voor streepje.

,.Nog ’n witte neus ook,” fluisterde hij.

„Zóó dan, is ’t nou goed?”

Jip keek er lang aandachtig naar; eindelijk, met een diepen zucht, knikte hij; en toen lachte hij plotseling helder-verheugd op tegen de juffrouw als tegen een kameraad, „dat ze ’t zoo goed wist, hoe zijn poes was.”

„Maar Joost, nu moet je es goed kijken, dat zijn geen figuurtjes, kijk, zulke bedoel ik.... zie je wel?”

Jip keek verstrooid naar de lei die de juffrouw hem vóórhield, waar echte figuurtjes op stonden; onverschillig, nog in de verrukking om zijn poesen, knikte hij om er maar af te wezen, keek toen dadelijk weer op zijn eigen lei.

„Zoo kinderen, berg nu je leien, dan gaan we spelen.”

Sluiten