Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles weer vreemd. In de klas was hij al bijna thuis, maar het angstig-vreemde kwam weer over hem, nu hij met de andere kinderen de trap afliep, de benedengang door, naar den tuin.

Maar hier, in dien mooien tuin, vergat Jip zijn grieven en het nare.

Verrukt keek hij rond, waar al een paar kinderen dadelijk krijgertje deden; een eind verder gingen er zes in een wijden kring staan en gooiden over en weer elkaar een bal toe. Wie miste moest uit den kring....

Twee groote meisjes, van acht jaar al, namen hem tusschen zich in.

„Hoe heet je?”

»»Jip»” zei hij, onrustig, ongeduldig.

Hij wou liever meeballen.

„Jip?” Word je Jip genoemd? Maar je heet anders, hè?”

„Joost, net als vader,” zei hij zich loswringend, en meteen slipte hij tusschen hen door, rende naar de zes jongens die aan ’t ballen waren.

„Ik ga ook bedien,” zei hij rood van plezier en verwachting.

De eene jongen, met den bal nog in zijn hand, keek om.

„Kom d r maar tusschen, zei hij, „hier kan je wel staan, maar goed vangen hoor!”

„Och, met zulke kleine kinderen kan je niks doen!” riep een ander, „hij is net op school gekomen.”

Jips gezicht betrok.

„Kom vooruit, zanik niet, zei de jongen die hem in den kring getrokken had en Daan heette; en meteen gooide hij den bal over.

Over en weer vloog de bal, ze hadden m nog allemaal gevangen; Jip wist nu, dat die heele lange jongen naast Daan, Miel heette en dat kleine, bleeke jongetje dat aldoor stond te dansen van de pret, Ru Verwey. Dan was er nog Willem, die had er juist plezier in om den bal zóó hoog te gooien, dat je altijd bang was hem niet te vangen; daar werd dan Henk, die hem vangen moest, altijd nijdig om....

„Gooi nou niet zoo hoog!

Sluiten