Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem toe, pakte hem bij zijn hand en begon ’m mee te trekken.

„Laat los! Wat moet je!” zei de jongen, zich losrukkend, „’k zal zelf wel gaan....

Een eindje van elkaar af, vijandig, liepen ze tusschen de andere rijen in weer naar boven.

„Wat gaan we nou doen?” vroeg Jip aan Lientje.

„De juffrouw gaat vertellen.

„En dan?”

„Dan gaan we naar huis, dan is ’t tijd.”

Voor ’t eerst weer dacht hij er aan; „nou zou ie weer naar huis gaan, vader zou m halen.

En zóó heerlijk was opeens nu die gedachte aan huis, aan vader, aan al ’t bekende, dat hij heel stil bleef zitten, zonder meer iets te zeggen en daar maar aan dacht, zóó dat hij heelemaal vergat te luisteren, en niet eens merkte dat ’t vertellen al een poosje begonnen was.

Toen waren er plotseling woorden die zijn aandacht trokken en hem deden luisteren:

Maar Hein; die zat er maar stil bij, toen Johan en Piet zoo bluften op alles wat zij gedaan hadden. En hij dacht: wat zijn zij toch dapper —

„Ja,” knikte Jip verheugd. Hij was er: „dat was ’t verhaaltje dat moeder laatst verteld had, van Hein en van Johan en van Piet die ”

„Ik heb nooit zoo iets gedaan. Dat zou ik nooit durven, met leeuwen en tijgers vechten.”

Jip knikte weer.

„Maar Hein was juist wel dapper,” zei hij halfluid, heelemaal in het verhaal.

„Maar de andere twee, toen Hein zoo niets zei, riepen: „Kom Heintje, vertel jij nou ook eens wat; Wat heb jij nou al zoo gedaan? — „ƒ£? niets,” zei Hein, „ik ben geen held—”

Jip hield ’t niet meer uit.

„Maar hij ” begon hij heel hard; toen bedacht hij zich, stak

zoo hoog mogelijk zijn vinger op.

Sluiten