Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ’t werd hun gauw te heftig Toen riepen ze allen door elkaar:

„0 jeminee, wat is dat naar!”

Toen kwam een groote regenbui — Die keek heel boos, en zei:

„Die pruiken vind ik veel te hoog, Dat ’s geen fatsoen, die zijn te droog Daar moet wat water bij!”

De wilgen snikte’ en steenden!

„Wat is dat nat” ze weenden!

„O!” riepen ze met ’n lang gezicht, „Nee, dat vergeten wij niet licht!”

Toen kwam een dikke bonte koe — Die snoof zoo s, en zei: „wel Zoo’n wilgeblaadje mag ik graag,

Dat ’s juist goed voor een volle maag En voor een zwak gestel! k Mag zeker van uw pruiken Wel n kleinigheid gebruiken?” —

De wilgen zuchtte’ elkander toe:

„Wat zeg je nou van zóó een koe!”

Toen werd op ’t laatst hun pruikebol Zoo alleraakligst lang,

Dat iedereen van schrik wegliep — De vogels riepen: „piep, piep piep!”

En werden ook al bang.

En ieder zei: „wat vreeslijk!

Dat ’s zeker ongeneeslijk!” —

De wilgen dachten: „Dat ’s juist fijn. t Bewijst dat wij van adel zijn!”

Sluiten