Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RONDOM DE KIEVIT.

Door de gouwen en grietenijen deed het gerucht de ronde, dat het eerste kievitsei gevonden was. Men sprak van op de buitenlanden van Goingahuizen achter Grouw, anderen noemden de bouwhoek van Dronrijp, terwijl ook uit de Zuid-Westkant van uit de streken om het Rode Klif de mare kwam, dat daar de eerste stippelschaal onder de pet geborgen was. Al deze geruchten maken de eizoekers wakker. Tienmaal, twintigmaal werd me gevraagd of ik ’t al gehoord had, dat het eerste „ljiep-aai” gevonden was.

„Hat meneer ’t al heard?” of zo terloops in ’t voorbijgaan: „ t eerste is hwer foun nou?”

Geen denken aan, dat er een nadere omschrijving van dat „eerste” gegeven wordt, of ook behoeft gegeven te worden. Iedere Fries, die niet meer in de wieg ligt, weet instinctmatig wat er mee bedoeld wordt, want van midden Maart af zijn onze zielen afgestemd op die éne mare: waar en wanneer zal ’t eerste kievitsei gevonden worden? Dat is de centrale gedachte van ’t ogenblik af, dat de zwervende koppels zich oplossen, de paartjes zich vormen en de rinkelende voorjaarsroep van Vanellus over de greiden danst, k Had hem al weer zo heerlijk gehoord op zonnedagen, vergezeld van ’t bonzend suizen der wieken en de prachtige buitelingen en wendingen; gehoord ’s avonds als de maan hoog geklommen was, heel uit de verte uit de bedauwde meer, onafgebroken de jubelkreet: kievit! kievit! wiedewiet! kwerkeït! En toen daar van ’t ene uiteinde van ’t dorp tot ’t andere op ’n morgen de mare vloog, dat er in de Hempsener Meer bij ons ook een puntei van Vanellus was opgeraapt, toen was ook ik klaar wakker, zocht m’n spullen bij elkaar: pols, laarzen, klompen, kijker, en zei tot mezelven: „Morgen los”. Morgen los tot eind April, en zo had ik op de ochtend van Goede Vrijdag om zes uur de thee bruin en was een kwartier later op weg naar de Meer, na eerst m’n gewone bezoek aan de overkant in de stal te hebben gebracht. Fijn kwam de dag

Sluiten