Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de stal binnen. In de intimiteit van ’t gedempte licht deed alles zoo weldadig aan, de bonte koeierij, t knisteren van t hooi, ’t snisteren van de melk in de emmers....

Buiten was ’t al één glorie van de zon, één tinteling en fonkeling, ’t Had pittig gevroren. Wit waren de greiden en de talloze vogelpaadjes waren als groene strepen er op duidelijk te zien, en overal zaagt ge de rustplaatsen der schapen als groene eilandjes in een sneeuwige stille zee. Maar met myriaden fonkelspattingen verpuurde de zon ’t kristallen dons tot pareltjes, joeg de leeuweriken de lucht in, wekte heel het vogelheir voor een morgengroet aan haar gouden glorie en deed eizoeker na eizoeker ’t sintelpad inslaan naar de lage Meerlanden. Boven op de Meerdijk staande zag ik aan alle hoeken al polsdragers, zoekend langs de greppels, achter de hekken neergehurkt, dwars de Meer doorkruisend.

Geen kans ’ zei ik, want aan dat op goed geluk de greppels aflopen heb ik een hekel; ’k zoek niet als ik geen wijfje zo zie opvliegen, dat ik aan de vlucht zien kan of ze van ’t nest komt.

Geen kans, maar dat hindert niet, er is genoeg te beleven, k Haal eerst die grutter met z’n rosse borst maar es dichterbij met de kijker en verlustig mij met zijn monter figuurtje en dan dien prachtwoerd met z’n groene kop, witte halsring, bruine ondemek en groenig-blauwe spiegels. Waar zou ’t wijfje zijn? Wat lekker drubbelen die tureluurs over ’t modderslootje.

„Morgen!”

„Morgen.”

Een collega-eizoeker. De pet lijkt me nog bedenkelijk plat, en bij informatie blijkt ook, dat zij ei-loos is nog.

„Niks gedaan man, vanmorgen.”

„Nee, morgen!”

„Morgen!”

Ik Iaat de kijker es over de landen gaan. Alles in de lucht? Ja; verreweg de meeste mannetjes zwaden en gonzen over ’t meervlak, en hier en daar een paartje hoog, elkaar omstijgend, omdartelend, omwiekend, borst tegen borst; op de grond een enkele vogel absoluut onaandoenlijk, azend of stilstaand, ’k Moet toch

Sluiten