Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar es even in de richting van de Meermolen. Daar dwarrelt een mannetje zoo verdacht heen en weer

Ja, daar gaat het wijfje al. Laag bij de grond, in één vlucht over de Meerdijk.

De derde akker. Middenin zowat. Hier is ’t. Eén. Daar was ’t om te doen. De andere komen later wel. ’t Was te doen om het seizoen te beginnen, en thuis in ’t dagboek aan te tekenen: Vrijdag, 25 Maart ’t eerste kievitsei in de Hempsener Meer. Prijs één gulden vijf en twintig cent.

Zaterdag 26 Maart. Vijf uur op weg. Voor ’t werk nog een loopje. Gisteravond op de zesde akker van ’t Mooltsje-land een mannetje gezien, bezig met nestmaken. Moet daar even heen. Reuze-mistig. Kan geen twintig meter voor me uitzien. Het nest nog leeg. De Meer stampvol mist. Geen dijken, geen boerderijen, niks, absoluut niks te zien. Alleen wat geluiden. Een trein, die in de verte ratelt, een motor in de vaart, gerinkel van emmers, geklik van bussen, hanengekraai....

’k Weet weg noch steg. ’k Kan op geen stukken na zeggen waar ik ben. Even wieken schaduwen op en zijn ook weer weg. Het is doodstil. Een toverwereld. Nevelheim. Als schimmen dwarrelen snippen uit de wallen. Een grote, donkere silhouet duikt in eens op. Ook een eizoeker, die ronddwaalt. Dadelijk is hij weer opgeslokt door de nevelen. Geen vierkante meter hemel is te bespeuren, k Loop maar rechtuit, rechtaan. Plotseling een hoge zwarte muur. ’k Besef eerst niet eens, dat ’t de Meerdijk is.

Het is doodstil. Dan komt de Westewind door. Een flauwe aanwaaiïng strijkt langs me heen. De mistzee golft en wuift heen en weer als de bries sterker wordt. Wolken nevel waaien in rafels en flarden over me. ’k Zie even de hemel. Dan alles weer grijs in een nieuwe samenballing, ’k Geef het op. Ga huistoe. Maar als ik thuis ben, hebben zon en wind ’t gewonnen. Nevelheim heeft de nederlaag geleden. Triomfantelijk rijdt Balder langs de blauwe hemelbaan, brengt de aardbewoners een zomersen dag, de eizoekers een goede kans....

Zondag 27 Maart. Pasen. Rust.

Sluiten