Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag 28 Maart. Afschuwelijk weer. Guur en regen. Toch er op uit. Het eerste geluk dicht bij huis gevonden, zoals zovaak het geval is. Op de tocht door de tuin zag ik over de sloot een eendewoerd zitten; op wacht, ’k Begreep, dat zijn vrouwtje niet ver af kon zijn. De slootkant afzoekend, speurde ik haar al gauw. Van de resten van oude eendekorven had ze zich een nest gebouwd. Twee licht-groene eieren lagen er in. ’k Heb er twee kunsteieren voor in de plaats gelegd en de beide anderen meegenomen, want zonder twijfel waren ze gelegd op mijn erf als dank voor de zorgen, eens aan haar opvoeding besteed.

’t Geluk bleef me vergezellen. Weinig eizoekers in de Meer. De scholeksters liepen op een rijtje achter elkaar met hoge ruggen op de dijk in de regen als oude heertjes, die uit nachtbraken waren geweest. Maar de kieviten waren bij ’t nest. In tien minuten had ik er vier. De eerste dribbelde er zo prachtig af. Telkens omkijkend, even stilstaand, kopje omhoog gerekt, dan weer driftig verder, eindelijk in de wieken. Die had er twee. Van een wal wipte er nog een, en de laatste uit een stukje biezig land. M’n jekker was ondertussen als lood geworden, op de knieën plakte ’t al aardig door en vier was welletjes.

Woensdag 30 Maart. „Vader,” zei m’n jongste dochter, „’k kan al over de sloot bij Johannes Pieters, mag ik ook es mee, ’k heb nog nooit een kievitsei gevonden.”

„Nou, vooruit dan maar. Dan de Grote Krite maar es in.”

De buien van Pasen dreven nog langs de horizont en de wind zou wel zo van Spitsbergen komen, voorbij een stuk of wat ijsbergen, maar t was droog en d’r was zon. Goed eizoekersweer was t niet. Te koud. De vogels niet in de weer. Uur aan uur marcheerden wij voor mets. Maar ik wou niet rusten voor we althans één ei hadden. De madeliefjes beginnen al aardig te komen, zeiden we tegen elkaar en zowaar hier en daar al een paardebloem eiï.de landen worden ook groener. Van alles zagen we weer op de wijde buitenlanden. Een valkje stond weer te bidden boven ’n muizegat, reigers stapten de slootjes af, een wezel bliksemde tussen de hezen, en ja, daar de eerste pol dotterbloemen weer. Hoera, de

Sluiten