Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste lenteboden van de buitenvelden, de prachtbloemen, de glorie der natte landen, de goudgele glorie, k Had een teer groen klaverblaadje in mn knoopsgat gestoken, dat moest nu plaats maken voor een takje dotters. De stemming was er. Als nou maar een kievit.... Daar ging er een! En toen zei ik tegen m’n dochter: „Daar op de laatste akker tussen sloot en dwarsgreppel, daar ligt een ei. Ga t maar halen.”

Ze keek me ongeloovig aan. „Hoe weet u ?”

, ^ maar halen. Hier is de pols. En de blijdschap toen ze

t prachtig bestippelde ei in haar handen had. Haar eerste kievitsei. Haar eerste buit onder de glimmenden gladakker met op de band: H. M. S. Diadem. Dat zou zijn als een diadeem om haar hoofd in de ogen harer vriendinnen. Het sprak wel vanzelf, dat er nu plannen voor meerdere tochten werden beraamd. Nu moest ze ook eens een hele dag mee. Van s morgens vroeg. Zij had immers nu haar eerste kievitsei gevonden. Wonder is ’t hoe gauw vaders uitgeschakeld worden door dochters als ’t een kiévitsei geldt.... Een kievitsei wist alle grenzen uit, daarvoor wijkt en bezwijkt alles.

R. J. de Stoppelaar.

Uit: Door Zon en Wind. Uitgeversmaatschappij Haga, Den Haag.

DE KRIJGSGEVANGENEN.

„Kaptein! „Waar zit je? Kom, dit bosch is niet te trouwen.” ,, k Heb twee Gevangenen! ’ „Breng ze mee.”

„Ik word door beide vastgehou’en,

En kan niet van de stee.”

A. C. W. Staring.

Sluiten