Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ DE MIERENTERP IN HET BOS.

Ik zit alleen in het bos op een bank in de warme zomernamiddag. De zon schijnt door de sparrebomen, en op bet vochtige zachtgroene mos aan de voet van de hoge beuken, is het een spel van gouden licht en koele schaduw.

Na de regen van gisteren geurt het bos sterk naar eikebladeren en mossen. De bank waar ik zit is nog vochtig-donker. Hier en daar in het oude vergane hout staat half uitgewist een naam, voor jaren daar ingesneden.

Het is of daar op die stille plek nooit een mens meer zal komen. Ik zit daar al uren alleen en droom en hoor het suizen in de toppen der bomen en het zingen der vogels.

Zo juist kwam er een grasmusje neergefladderd. Het tripte wat rond, dicht bij mij op het pad, bleef even, met het schuwe kopje op zij, naar mij kijken, en vloog geruisloos weer weg.

En rond om mij heen, op de grond en in het mos, is het stille geluidloze leven van schuwe insectjes en heel kleine diertjes.

Haastige mieren gaan over het zand en lopen bedrijvig en zoekend in ’t rond. Een zwart-en-rood vliegje met een wespenlichaam klimt mast in een hoge grasstengel. Het blijft aan de top, met zoekende sprietjes en opgekruld achterlijf, een ogenblik in beraad, en dan plooit het de gazen vleugeltjes uit en vliegt weg.

Op een zonnige plek dansen kleine mugjes en roerloos op het zand zit een goudgroene vlieg. Een kevertje wandelt bedaard op de neus van mijn schoen en ginds over het pad komt een insectje aankruipen; een duizendpoot of een donker rupsje.

Maar als ik mij neerbuig en het van dichterbij bekijk, is het een heel klein dennetakje dat door een paar mieren wordt voortbewogen. Eén trekt het, achterwaartslopend, voort en een ander duwt er achteraan. Het zijn een paar sjouwers die balken aandragen voor de bouw van hun huis. Ze slepen er mee door het zand, over takjes en dennennaalden, waar de grond mee bezaaid ligt; als het

Sluiten