Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezorgde moedertjes met hun witte mierenpop aan het hart gedrukt, blindelings voort.

Het is er een gaan en komen; niemand neemt er notitie van de ander.

Ik heb mijn vriend met de dennesprieten uit het oog verloren, maar daar ginds ontdek ik hem weer. Hij zit met zijn horens verward in een berg dode bladeren en trekt wanhopig om vrij te komen.

Ik buk mij om hem te helpen zijn met moeite veroverden buit niet er bij in te schieten, maar een van de andere arbeiders komt hem al te hulp. Met vereende krachten krijgen ze het vlot, en zeulen het zware ding tegen de berg op, en dan: — Wel bedankt! en de ander laat hem weer over aan zijn lot.

Hij sjouwt er al weer mee voort, struikelt telkens in zijn overhaasting, rust even uit en gaat er met nieuwe moed weer op af. Ik ben nu al zeker twintig meter in het dichte bos doorgedrongen, maar zie nog steeds niets wat op een mierenberg lijkt. Maar mijn wegwijzer zal het wel weten.

Hij gaat zonder aarzelen met zijn last steeds voort in dezelfde, schuine richting, over bergen en dalen, zich door dichte bossen van mos heen werkend, hulpeloos met zijn pootjes in ’t mulle zand rondkrabbelend, of met een rennetje een vlakte overstekend. En trouwens de weg wordt steeds makkelijker te vinden door de honderden mieren, die hier rusteloos komen en gaan. Waar ik mijn voet zet krioelen mieren er om heen en hollen verschrikt heen en weer. Ze klauteren tegen mijn zevenmijls-laarzen omhoog en dalen weer af als ze niets van hun gading vinden.

Zoals ik gehurkt daar naar hen zit te kijken, hoor ik het zachte geritsel der dorre bladeren, waarover die onafgebroken stoet heentrekt. En langzaam voortgaande ben ik, zonder t te weten, al vlak bij de reuzenstad der mieren gekomen; een hoge berg van meer dan een meter in doorsnede aan de voet, opgebouwd van dorre blaadjes en takjes en kluitjes losse aarde. In milhoenen krioelen de inwoners er rond.

De mier met de dennesprietjes is er nu bijna aangekomen. Hij

Sluiten