Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan, dat weet ik niet. Hebt gij al van uw leven eenen brief geschreven ?

„Neen, maar ik heb er al heel veel hooren lezen; want mijn broeder Dries, die in de stad woont, schrijft bijkans alle maanden aan ons.

„En hoe is dat, een brief? Wat staat daar in? Is het, alsof ze iemand zouden aanspreken?

„Bijlange niet, Trien! Dat is wat schoon! Altemaal met komplimenten en groote woorden, die ge bijna niet kunt verstaan.

„Ai mij, Kaat, hoe geraak ik daaruit. Maar als ik nu, bij voorbeeld, zoo maar eens schreef: — Jan, wij zijn droef, omdat wij niet weten, of gij gezond zijt: gij moet ons al gauw tijding laten, want uwe moeder zal er ziek van worden, en zoo voorts: — dat zal hij toch ook wel verstaan?

„Maar, sukkel, dat is geen brief; zoo spreken alle menschen, of ze geleerd zijn ofte niet. Wacht eens! Zie, zóó begint het altijd: — zeer geëerd ouders, ik neem al bevend de pen in de hand om, om om — daar kan ik nu niet meer opkomen!

„Om te schrijven!

„Och, gij weet het beter dan ik. Gij houdt mij voor den zot: dat is heel slecht van u, Trien.

„Wel, Kaat, waar zijn uwe gedachten? Als hij de pen in de hand neemt, dan zal het zeker zijn om eene boterham te snijden? Ik moet lachen, omdat gij zoo onnoozel zijt. Maar ik begrijp niet, waarom uw broeder Dries altijd beeft, als hij eenen brief moet beginnen. Hij kan zeker met goed schrijven? Dat is toch nog erger; want iemand, die beeft, schrijft nog slechter.

„Neen, dat is de zaak niet; maar Dries gaat zoo een beetje zijne gangen in de stad, en hij vraagt altijd geld; en daarom beeft hij, want vader is zoo kwaad! Maar zeg eens, Trien, hoe is het met uwe koe?

„Wel, tamelijk goed. Zij heeft wat uitgestaan, och arme! Nu is zij toch al doorenweg aan de spurrie en ze begint greet te worden. Het kalf hebben wij verkocht aan eenen boer van Wechel-ter-Zande. Hij was een bont: och, zoo een lief beestje!”

Sluiten