Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedurende deze laatste woorden hadden de beide meisjes zich reeds eenige treden van elkander verwijderd.

„Nu, wel te huis, Trien,” riep Kaat, haren gang hernemende. „Zie, dat gij er uitgeraakt met uwen brief, en doe veel komplimenten van ons aan Jan.

„Tot Zondag na de hoogmis; ik zal u dan eens weten te zeggen, hoe het is vergaan. Een goeden dag aan uwe zuster ”

De stem van Kaat galmde reeds in de masthoornen; zij zong op vroolijke maat en in heldere tonen het refrein van een bekend Meilied:

,,De Meiboom wordt geplant,

Versierd met groene kransen;

De jonkheid hand aan hand Ziet men met vreugde dansen.

Sa, meiskens, wie gij zijt,

Neemt acht op uwen tijd,

Want in den ouderdom Krijgt gij geen jeugd weerom/'

Trien bleef droomend staan, totdat de schoone stem harer vriendin achter het geboomte was versmolten. Dan sprong zij half dansende, half gaande in de baan voort en bereikte welhaast hare woning.

Hier zaten de beide weduwen bij de tafel met ongeduld op Trien te wachten. De oude grootvader, door eene verkoudheid aangedaan, lag te bed in de alkove en stak zijn hoofd tusschen de gordijnen vooruit, om ten minste met oog en oor tegenwoordig te kunnen zijn bij het groote werk, dat men ondernemen ging.

Zoo haast het meisje zich op den dorpel vertoonde, raapten de vrouwen in allerhaast de voorwerpen te zamen, welke op de tafel lagen, en veegden deze met den hoek van hun voorschoot zuiver.

„Kom hier, Trien, zeide de moeder van Jan, „zit op den stoel van grootvader; hij is veel gemakkelijker.”

De maagd nam stilzwijgend plaats bij de tafel, legde de bladen papier er op neder en stak den bek der pen droomend tusschen hare lippen

Sluiten