Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En hij ging door met werken, en zo volgden er nog twee maanden van nachtwaken, en van grote uitputting des daags, gedurende welke het kind zich op wanhopige wijze inspande, en de vader hem bittere verwijten toevoegde. Maar het ergste was, dat deze langzamerhand koeler tegen den jongen scheen te worden.

Hij sprak bijna niets tot hem, alsof hij een verdorven kind ware, van wien men niets meer hopen kon, en vermeed haast hem aan te zien. En Giulio bemerkte het, en leed er onder, en wanneer zijn vader hem de rug toedraaide, wierp hij hem heimelijk een kushand toe, en hief het gelaat tot hem op met een gevoel van tederheid, waarin zich medelijden en droefheid mengden. Door verdriet en uitputting vermagerde en verbleekte hij; en steeds meer zag hij zich in de noodzakelijkheid, zijn werk voor de school te verwaarlozen. Hij begreep ook wel, dat hij het eens niet meer zou kunnen volhouden, en elke avond zeide hij tot zichzelven: — „Deze nacht sta ik niet meer op,” — maar als het twaalf uur sloeg, op het ogenblik, dat hij zijn plan metterdaad had moeten ten uitvoer brengen, voelde hij een soort van wroeging en het scheen hem toe, dat, wanneer hij in bed bleef, hij een plicht niet zou na komen, en een lire aan zijn vader en aan zijn familie ontstelen zou. En dan stond hij op, en dacht aan de mogelijkheid, hoe zijn vader de een of andere nacht zou kunnen wakker worden en hem verrassen, of hoe hij bij toeval het bedrog zou kunnen ontdekken door zijn papieren tweemaal te tellen, en dan zou alles natuurlijk gedaan zijn buiten zijn wil; en wanneer hij dit bedacht, had hij niet de moed zijn plan ten uitvoer te brengen. En dus zette hij zich weer aan het werk.

Eens, bij het avondeten, sprak zijn vader enige woorden, die hem een besluit deden nemen. Zijn moeder had hem aangezien, en het scheen, dat zij vond dat hij er slechter uitzag en een magerder gezichtje had dan gewoonlijk. Zij zeide tot hem: — „Giulio, je bent ziek.” — En toen, zich tot den vader wendende, herhaalde zij angstig: — „Giulio is ziek. Zie eens wat bleek hij is! Beste Giulio, ben je niet wel?” — De vader zeide toen, terwijl hij hem vluchtig aanzag: — „Het is het slechte geweten, dat ook de gezond-

Sluiten