Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MATCH TUSSEN A.F.C. EN VITESSE.

Het was stampvol op het A.F.C.-terrein.

Mannetje naast mannetje stond het kwartjes-publiek op de plankiers langs de lijntjes. Eddy begon al te vrezen, dat er geen plaatsje meer over was en zij dus niets meer van de match te zien zouden krijgen. De vijf vrienden kropen overal door en onder om nog maar een fijn staanplaatsje te vinden. Twee maal hadden zij al geprobeerd om tussen de mensen door te biggen en stiekum naar voren te schuiven, maar beide keren werden zij smadelijk verdreven. Bij de tweede poging was het zelfs op ruzie uitgelopen en had Kees van een opgeschoten lummel van ’n jaar of achttien zo n stomp voor zijn borst gekregen, dat hij met ’n vaart tegen een magere juffrouw op de achterste rij aan was gebonsd, die daardoor bijna achterover was gevallen. Toen had de vrijer van de magere juffrouw Kees de pet van zijn hoofd geslagen en de allerhartelijkste wens er aan toegevoegd, dat hij „om kon vallen”.

De vijf vrienden hadden daarop maar geen nieuwe pogingen meer aangewend om zich ’n goede plaats te veroveren en zij waren juist van plan zich in de derde rij, achter de dikke ruggen van ’t paar ouwe heren, op te stellen, van waar ze alléén de bal zouden kunnen zien, als die hoog door de lucht vloog, toen Piet Flier nog een open plekje — vlak bij de goal — ontdekte. Zij holden er heen, kropen onder het plankier door en stonden er pas „piek, piek fijn,” — zoals Kees zei — toen de elf roodbroeken van Vitesse het veld opkwamen.

„Hoera, Vitesse! Hup, Vitesse! Hoera, Vitesse!” hoorden de vijf A.F.C.-ers overal om zich heen roepen.

Hè? Wat was dat? Hoera, Vitesse? Hup, Vitesse?

De jongens keken verontwaardigd om. Ja, waarachtig, het was waar. Eddy en Kees kregen het nu pas in de gaten: ze stonden midden tussen een groep supporters van de vijandelijke partij.

„Hm!” bromde Eddy. „Hoera, Vitesse!”

Sluiten