Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Opscheppers!” klinkt het van de achterste rijen; het is alles precies als voor de rust, alleen zijn de rollen nu omgekeerd.

Eddy ziet even vluchtig naar Klaas Douma; die kijkt sip, alsof hij z’n laatste oortje versnoept heeft. Eddy besluit tegelijk, om Klaas morgen dadelijk in de keuken op te zoeken.

’n Lang gefluit!.... Einde!!

„Hoera! Gewonnen! Gewonnen!” gillen de jongens en ze rollen bijna over de lijntjes heen, rennen over ’t veld in de richting van de tribune.

Daar staan ze, alle A.F.C.-vnnden van de jongenstribune in twee rijen, klaar om hun elftal te ontvangen.

„4—3! Fijn hè! Wie had dat ooit gedacht, hè?” hoorden Eddy en Kees van alle kanten.

Wat ’n plezier had Eddy van z’n kwartje!

’n Dag om nooit te vergeten!

De elf A.F.C.-ers naderen; Stoop loopt voorop.

„Hoera, A.F.C.! Hup, A.F.C.!”

En alle elf krijgen zij — als ze passeren — van de enthousiaste jongens ’n klets op hun schouders uit pure dankbaarheid. Stoop krijgt er van Kees zelfs twee.

Daar had je Mannus, achteraan.

„De lucht in, jongens, de lucht in!” en — tegenstribbelend en toch lachend — gaat de captain de hoogte in.

„Hoera, A.F.C.! Hoera, Mannus!”

Langzaam, ’n beetje verlegen, naderen de elf Vitessers. De jongens van A.F.C. gaan op zij, om plaats te maken voor de verslagenen. Van overwinnaars overwonnenen en dat in twintig minuten, ’t is hard, ’t is reuzenhard!

Zelfs Eddy en Kees begrijpen op dat ogenblik, dat zij zwijgen moeten, want Vitesse is ondergegaan met roem en met ere.

J. B. Schuil.

Uit: De A.-F.-C.-ers. Amsterdam. H. J. W. Becht.

Sluiten