Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REGEN.

’t Is de regen, die van ’t Westen Dreigend lang, ten langen leste Nu zijn gulle waterstralen Kletterende neer doet dalen.

Plat de neuzen op de ruiten Zien de kleinen uit naar buiten;

Boven van de daken plast het,

Onder in de straten wast het.

Ras gezwollen beekjes glijen Kabb’lend langs de grove keien,

Door de smalle goten snellen Vliegensvlug de waterbellen.

Kind’ren hollen, menschen vluchten Wielen, die door ’t water zuchten,

Proestend wachten oude’ en jongen,

In portieken saamgedrongen.

Paarden dampen, of ze waren Uit de helle opgevaren,

Karren staan alleen gelaten In de blank gewasschen straten.

En de regen gutst tevreden,

Eenig heerscher, naar beneden,

Zorgt niet waar zijn schatten bleven,

Heeft nog meer, en zal ’t ook geven.

VOLKER.

Uit: Verzen. Amsterdam, P. N. van Kampen & Zn.

Sluiten