Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af te wissen, niet van haar schoot op; het was de Heer, die tot haar gelukkiger lotgenote gezegd had: „En ween niet!

Hij zou het nooit tot haar zeggen!

Eensklaps sprong de oude hond, die zich aan haar voeten had uitgestrekt, onrustig op; gillende vloog hij naar de deur der kamer. Daar hoorde de weduwe een ongewoon gedruis in de anders stille gang — het was een lichte schred, een jeugdige stem!

Zo hij het was!

Nooit had haar hart in de eerste verrukking der liefde zo hevig geslagen; zij bestrafte zich zelve met een weemoedige glimlach over haar ijdele hoop!

Hij was het!

De deur vloog open; Marten Harpertsz viel zijn moeder om de hals; gij eist niet, dat ik u dat wederzien schildere.

Marten Harpertsz werd later Luitenant-Admiraal van Holland en verwierf zich een roem, zelfs door die van Michiel Adriaansz niet overtroffen; Joan de Witt getuigde van hem, dat hij een zeeheld was, wiens wedergade vroegere tijden nooit hadden aanschouwd en latere wellicht niet zouden zien; en Jan Vos sprak slechts waarheid, toen hij zijn bijschrift op ’s mans beeldtenis eindigde met de verzen:

Beschreit dien Watergodt, — vergeefs is ’t zegepralen,

De lauwren zijn te dier die wij met Tromp betalen.

E. J. Potgieter.

Uit: Schetsen en Verhalen, Haarlem. H . D. Tjeenk Willink & Zoon.

Sluiten