Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude was — dit dee ’t verklaren, Hoe hij bij verschil van jaren Toch den jongen bleef gezind — Naar het harte een kind.

Hij was goed en lief voor allen, Daarom ook aan allen waard.

’t Beste hoekje van den haard Moest aan hem te beurte vallen. Ieder merkte blijde er op:

„’t Blijft altijd een flinke kop.” Als hij kalm zijn pijpjen rookte,

Of met kracht in ’t turfvuur pookte, Zou je ’m schildren — beste-vaar Met zijn gouwenaar.

’t Feestuur sloeg weer voor den jongen, Die, bij ’t flikkeren van de zes1), Hunkrend naar de avondles,

Moeders schoot was afgesprongen,

Waar hij vaak te rusten plach.

„Ben je ree?” sprak de oude; een lach Krulde hem de breede lippen,

Bij het oopnen van de knippen,

’t Rekken van de kleene hand Naar den leeren band.

De oude liet den knaap verhalen. „Weet ge ’t nog zeg, wie zijn dit? ’ „Dat’s de Ruiter, dat’s de Witt, Dat de Trompen, dat van Galen, Dat de Zwijger, dat Piet Hein, ’

*) Kaars van zes in 't pond.

Sluiten