Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alles kruiste hem door ’t brein,

En hij kroop op Grootvaars schouder,

Vleide en riep er: „Word ik ouder,

Beste-vaar! dan ga ik mee Texel uit, naar zee!”

De oude grinnikt van genoegen;

0 hoe lief hem ’t jongsken was!

„Die is nog van ’t echte ras,

Die zou nog voor ’t baaitjen voegen,

Voor de draaibas en kortjan,

Kroop niet weg voor d’ Engelschman.”

Moeder had het lang verdroten;

Eindelijk rees ze: ,, ’t Boek gesloten,

Beste-vaar! hij is vermoeid;

Hoe de jongen gloeit!

Al die ruwe en vreemde mannen !

Als hij nu maar slapen kan

Och, hij droomt er zeker van,

Want het kind is overspannen.

Als hij ziek wordt — hij is zwak ”

De oude schaterlachte en sprak:

„Moeder! ’t zal zóo veer niet komen;

Laat hem van die lui maar droomen,

Dat geeft zwakke lenden kracht....

Jongen! goeje nacht!”

H. J. Schimmel.

Uit: Innerlijk Leven. Schiedam, H. A. M. Roelants.

Sluiten