Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t Was een oudoom van vaders kant, een gepensionneerd kapitein plaats-majoor. Ik herkende hem evenwel alleen aan zijn grote knevels en vervaarlijke sik, waarvoor ik als jongen een grenzenloze verering koesterde: want zijn eertijds rijzige gestalte was nu gebogen en hij liep enigszins moeilijk, met behulp van een stok.

„Zo! ben jij Jan? — Alle donders, jij bent groot geworden.”

Geen wonder oom! In twintig jaren tijd kan iemand heel wat veranderen.”

„Sakkerju! hij kent me nog; dat doet me plezier!” riep oom Bulder en gaf met zijn dikke stok een slag op de tafel, dat de kopjes en flesjes die er op stonden, een luchtsprong maakten en ik achter de deur een zeer verschrikt en bijna onhoorbaar „o, genade” vernam.

„En hoe heb je ’t? Heb je ’t lang? — Is ’t erg? — Heb je ’t in je hele karkas of alleen in je bajonetten? Miserabele pijn, hè? Om de hele wereld in mekaar te ranselen. Zou je me nog een stomp m de maag kunnen geven? — Neen hè? Lamgeslagen als een hond, — totaal uitgerangeerd, om dol te worden, hè! — Razend — gek...”

Een tweede slag op de kant van de tafel deed mij verschrikt vragen: „Wilt u wat gaan zitten, oom? Ik stond op om hem een stoel te geven.

„’k Zal wel gaan zitten, als ik wil; — hou je gemak.” Met de punt van zijn stok drukte hij mij tegen de borst, zodat ik weer in mijn stoel terugviel.

„Lekker, hè, als je t zo in je botten voelt knagen? Heb je een veearts, en wien?”

„Dr. Calmans, oom!”

„Gooi hem de deur uit; t is allemaal tuig, maraudeurs zijn het, die je van je lijf moet houden, ’k Heb den mijne gepasporteerd: hij wou me jandorie! koppen. Morgen moet je den dokter de trap afgooien, of anders ”

„Ik — gooien? — ’k ben blij dat ’k staan kan.”

„Heb je geen oppasser?”

„Wel zeker; maar ”

„Dan doet die de corvee ”

Sluiten