Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik lachte tamelijk onnozel, naar het mij later toescheen, toen ik antwoordde: „Natuurlijk oom, maar —

„Wil je beter worden?”

„Zeker.”

„Dan geef ik je,” hij keek op zijn horloge, „vijf en dertig minuten om je equipementstukken bij mekaar te zoeken. Laat een vigilante bestellen, dan gaan we met de trein van vijf uur veertig weg.

„’t Is vreselijk overhaast, en ik weet niet, of....

„Wil je, of wil je niet?”

„Ja.... maar....

„Dan vooruit! En route!”

Ik was totaal overbluft door deze onverwachte gebeurtenis. Men had mij altijd verteld dat oom Bulder, een zonderling, er degelijk warmpjes inzat, en voor een employé, met veertienhonderd gulden salaris was het vooruitzicht universeel erfgenaam van zo iemand te worden te schitterend, om niet de kans van een instorting te wagen. Ik besloot dus kort en goed met oom mede te gaan en aan Calmans een briefje te schrijven, waarbij ik hem kennis gaf van mijn overhaast vertrek.

Toen ik daarmede gereed was, riep ik juffrouw Klemmer binnen en gaf haar last mijn klederen te halen en mijn koffertje te pakken. Zij stribbelde natuurlijk tegen, totdat Bulder zich met de zaak bemoeide, juffrouw Klemmer voor zich heen de trap opduwde en haar toevoegde: „Ouwe serpent! Ik zal jou leren ’t commando te volgen.”

Sidderend en bevend kwam zij eindelijk terug met het nodige voor de reis.

„’t Overhemd!” schreeuwde Bulder.

„Hier, meneer! — O, o! wat zal de dokter daarvan zeggen!”

„’t Vest!” donderde de kapitein.

„Asjeblieft.”

„Zijn jas! — Maak zijn boord beter vast!

„O, wat een geweldenaar!” steunde mijn hospita, terwijl zij bevend mijn overjas aanreikte.

„Wollen deken! Een karpet! Gauw, want ik heb geen uur de

Rijpma, Jonge Kracht. I. 19

Sluiten