Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bijgeloof? Wat hier en gunder! Wat zou jij zeggen? Heb jij twaalf jaren rheumatiek gehad? — Jij bent er nog een blancbec in. Ik zeg je, dat ze mij helpen.” Hij schelde.

Hannes trad binnen en bleef in afwachtende houding staan.

„Hannes!”

„Commandant?”

„Twee tortelduiven aan het voeteinde en twee aan het hoofdeinde boven mijn neefs bed.”

„Uitstekend, commandant! Verder nog iets van uw orders?”

„Dan vlecht je zo’n gordel van hennep, als ik ook draag, en die doe je meneer van avond om.”

„Maar, oom! ik ben al zo dik gekleed en....”

„Je doet hem mijn neef om; begrepen? Voor hem is het negen uur taptoe: inwrijven met olie van Bay, een half uur lang.”

„Olie van Bay?” riep ik verwonderd.

Oom vervolgde: „Dan goed toedekken, een slaapmuts geven en licht uit!”

t Was bepaald alsof ik niet bestond, als oom met Hannes sprak; hij nam van mijn woorden met de minste notitie en gaf onophoudelijk zijn bevelen, meest alle mij betreffende.

Ik moest in de geest lachen, toen ik bedaard naging wat er eigenlijk met mij gebeurd was; ik stelde mij het verwonderde gelaat van Calmans voor, dat hij bij zijn wederkomst zijn patiënt gevlogen zag. Ik hoorde in gedachten het relaas dat juffrouw Klemmer hem deed, en ik begon wel enigszins berouw te gevoelen over mijn haastige stap, want ik gevoelde mij allesbehalve lekker.

Toen Hannes mij ’s avonds de eerste maal, na de taptoe, te bed bracht; merkte ik een sterke lucht op, die ik reeds van ’t eerste ogenblik af dat ik in oom Bulders huis was gekomen, evenwel in geringe mate, had waargenomen.

„Pff! Hannes,” vroeg ik, „wat is dat voor een onaangename sterke lucht!”

,, k Ruik niets, meneer.”

„Hoe is t mogelijk! t Is zelfs zeer sterk, zo’n soort laurierbladenlucht.”

Sluiten