Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VARKEN VAN DEN WILDENBORCH.

(Eene Ballade).

Het is de burcht Ter Wildenborch, Die in de marschen staat,

Daar, waar de weg van Lochem’s berg Door zomp en Kiefstkamp gaat.

Waar over velden endeloos Van deinend, deinend riet

De tinnewachter tureling

Nog Zutphen s spitsen ziet.

De gracht is diep, de toren hoog,

En wark en walmuur vast;

De burchtheer, als bij wal en wark En rooverridders past.

Vanwaar de Berkel kronkelgaat Naar ’t ruimer Yselbed,

Tot achter aan de Grolsche wijk,

Is al zijn willen wet.

Vanwaar hij naakt, tot waar hij trekt, Daar laait het vlammend uit,

En door de slotpoort keert zijn troep Met rijken plonderbuit.

En zeven zomers zijn geweest,

En zeven zomers ziet

Nu Lochem’s scholt, van wat hij zaait, De rijpe vruchten niet.

Sluiten