Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want waren eens de kelders vol,

Nu slinkt de rijke raad,

En steê van t volle dagrantsoen Deelt men de halve maat.

Doch dagen komen, dagen gaan:

De poorters trekken niet,

Tot van de hooggetaste waar

Men ’t schabbig1) blijfsel ziet.

’t Is toren hoog en walmuur vest,

Die in het zompland staat,

Maar, waar geweld zijn krachten breekt, Daar weet de honger raad.

In onrust ziet de burchtheer ’t eind,

En kent het lot, dat wacht

Voor wie in dorpers handen viel,

Of boog voor poorters macht.

Hij weet geen weg dan overgaaf Of dood door de eigen hand;

En zinnend staat hij op den trans Te turen over ’t land.

Hij ziet het rietveld wijd in ’t rond,

En waar de schansen zijn;

Hij schouwt den burchtmuur en de poort En ’t dompig binnenplein.

Daar in den vuilen moddergrond In rottend stroo en blad

Een varken drok te wroeten gaat,

En ’t leste beest was dat.

*) Armoedig.

Sluiten