Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROOTMOEDERS VERHAAL.

In de kring van ’r kleinkinderen, bij de schouw met de wijnrode, wijde vervloeiing, bewoog ze ’r zilverwit hoofd blossend van jeugdschijn. ’r Lippen met purper geslagen, ’r kinspitsje als ’n rijpe tomaat, ’r wangjuk fleurend als ’n papaver in zonlicht, knikten de grootogige luisteraars toe. Eerst had ze van haar broer die in verre koloniën bij ’n klewang-aanval sneuvelde, verteld — toen van r vader — hoe lang was dat niet gelejen, hè? — die onder Napoléon was gebleven — nou bij ’t gretig smeken der kleuters, terwijl de stormwind als ’n boze duivel ’t huisje ombulderde, ’r telkens met z’n gegrom ’t praten moeilijk maakte — zo sterk van stem was ze niet meer — zette ze ’n nieuw toververhaal in:

„Heb je nog geen slaap, Jozef — en jij Cathérine word je niet moe? — Nee! — Dan zal ik jullie van Hannekeman vertellen — hoe Hannekeman uit de stad met de hoge schoorstenen wandelen ging om zijn vader, die soldaat was, te zoeken —

„Was z’n vader dan weg-gelopen?” vroeg vrouwke, jongste dreumes, die telkens in de rede viel.

„Laat zij nou ’r mond houen, grootmoe!” riep Annemie, verveeld door ’t voortdurend gevraag.

„Nou, nou,” suste grootmoeder; „we komen er toch wel — en voor vragen heb je ’n mond. Nee, vrouwke, weggelopen was-ie niet — d’r was ’n oorlog gekomen, ’n hele grote oorlog — net zo n oorlog als onder Napoléon waarvan ik straks heb gesproken — en omdat de vader van Hannekeman mee moest vechten, was-ie, terwijl Hannekeman sliep, uit de stad met de hoge schoorstenen getrokken — was z’n bed leeg, toen het ventje wakker werd.

„Waar is vader?” had hij gevraagd, net als vrouwke, die ook zo’n boel weten wil, maar z’n moeder zat te huilen, tranen zo dik en zo groot als de regendruppels buiten, z n moeder gaf m geen

Sluiten