Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemeer, moessie, — ik zal vader wel vinden en als ik ’m gevonden heb, breng ik ’m mee naar huis, hoor je?”

Z’n moeder hoorde ’m — dat spreek vanzelf — hoorde ’m helemaal niet, anders zou ze gezegd hebben: — „Hannie, je mag de straat niet op — je vader is in ’n ander land heel ver van hier” — z’n moeder sliep zo vast als jij, Jozef, die ’s morgens niet wakker te krijgen ben, als je naar school moet, niewaar?

Toen Hannekeman voorbij de klok kwam zei-ie nog: „koekoek, zal je goed op moessie passen, nou ’r niet één man in huis is?”

„Koekoek!” riep de klok, omdat ’t kwartier was.

„Dank je wel,” fluisterde Hannekeman, en op z’n kousen sloop-ie naar de buitendeur. In ’t straatje was-ie eerst heel erg bang, want de grote hond van de overburen, waarvan de man en de zoon en nog ’n neef ook met vader waren uitgetrokken, kwam nijdig-blaffend op m toe, alsof-ie ’m wou bijten, maar de ferme jongen zei dadelijk: „Tommie — zo heette de hond — je mag me niks doen, want ik ga ook jouw baas zoeken en als ik ’m gevonden heb, breng ik ’m gelijk mee en dan krijg jij lekkere kluiven hoor! Tommie kwispelstaartte van plezier, liep ’n eind mee tot t bos, verder durfde-ie niet. „Ik wel,” zei Hannekeman en omdat-ie niemand had om mee te praten, nou de hond terug was gegaan, keek-ie naar de maan, die telkens achter de boomtakken lachte, lachte, lachte, dat Hannekeman geen oog van z’n mond en z’n tanden af kon houden. Dat was allemaal leuk, hé? maar ’t was pas ’t begin. — ’n Dikke, nijdige wolk, die ruzie met de maan had, begon mee te lopen en daar de wind ’m ’n handje hielp, liep-ie harder, zo hard dat-ie de maan inhaalde en ’t hele bos donker maakte.

„Au! Au!” riep Hannekeman, omdat-ie met z’n handen in brandnetels gegrepen had. „Au! Au! ’ zei-ie weer, toen-ie over n boomwortel struikelde en z’n knie lelijk pijn dee. Hij moest r bij gaan zitten, huilde helemaal niet — alleen kleinzerige jongens huilen, hoor je dat, Bertus? — maar toen-ie weer opstond, was-ie de weg glad kwijt — ’t was nog erger donker dan in een kamer als de gordijnen neer zijn en de lamp uit. Stil was ’t er helemaal niet, want de blaren aan de bomen gingen zo tekeer als vanavond hier

Rijpma, Jonge Kracht. I. 20

Sluiten