Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schieten, die die gemene grap had uitgehaald. Maar de schildwachten hadden niemand gezien — de schildwachten waren de enige soldaten, die d’r schoenen hadden behouden —

„We zijn verloren!” sprak ’n tweede generaal, evenals de officier op blote voeten; „de schoenen van me hele leger zijn door den vijand geroofd: op je kousen, je blote voeten gaat t niet!

„Nee,” zei ’n andere officier — en begon te huilen.

„Foei, foei!” zei de eerste generaal: „’n man, ’n soldaat mag niet huilen — u geeft ’n slecht voorbeeld!

„Ik kan ’t niet helpen, generaal,” zei de officier, met moeite z’n tranen bedwingend; „maar in de plaats van mijn schoenen heb ik de laarsjes van m’n dochtertje gevonden. Hoe komen die hier — hoe is dat mogelijk? — meegenomen heb ik ze niet!

Niemand antwoordde — want nu de schrik een weinig over was, herkende elke soldaat, elke officier, elke generaal de kleine dingen, die de grote schoenen verjaagd hadden. De sterke soldaat, die ’t eerst van allen geschreeuwd had, zat met ’n paar laarsjes in z’n stevige handen — door één stak ’t gat van ’n teen — zo n slordig kindje was dat geweest — en beet op z n snor om met te huilebalken — ’n tweede liet z’n dikke tranen zo maar in de klompjes, die bij z’n strozak gevonden waren, vallen — n derde, nog niet eens aangekleed, ongezien in de donkere tent, hield twee kleuters van toffels, zo klein als die van vrouwke, in z n handen en gaf ’r al maar zoentjes op, ’t ene zoentje na ’t andere. De vader van Hannekeman, nou ook over z’n sufheid heen, stak z’n vingertoppen in de schoentjes met de nog warme zooltjes — pas had de Fee ze van Hannie’s voetjes genomen — en keek naar niemand omdat z n ogen niet door z’n tranen heen konden zien. En de generaal op de blote voeten, terug in de tent met de grote vlag, betastte met bevende lippen de voering van twee poppe-muiltjes. Gek — de grootste helft van ’t leger liep stilletjes te huilen—de een wou t voor den ander niet weten — en als ze in splinters of scherpe steentjes trapten zeien ze niet eens au! wat toch iedereen roept die zich pijn doet. ’r Was haast niet één zonder kinderschoentjes — allemaal hadden ze ’n kind of ’n zusterkind of ’n vriendenkind of n

Sluiten