Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buurkind — allemaal liepen ze met de kleine leren dingen, de klompjes, de toffels, in de handen, de zakken.

Toen gelastte de generaal-op-blote-voeten aan drie officieren, met ’n witte vlag naar den vijand te gaan. Uitstel zouen ze wel geven, als ’t vreemde wonder ze uitgelegd werd. Half op weg kwamen die drie met de witte vlag, drie van den vijand met een witte vlag tegen. En die zes met rood-behuilde ogen vertelden mekaar van de verdwenen schoenen, wezen mekaar de gevonden laarsjes en muiltjes — gaven mekaar de band, spraken af dat ze niet zouen vechten, dat ze naar d’r kinderen terug zouen trekken, mekander niet dood zouen slaan. Dat gaf ’n groot feest, ’n feest op kousen en sokken.

„Zo,” zei de Fee tot Hannekeman: „ga jij naar je vader — en geef ’m ’n zoen. ’

Dat liet de jongen zich geen tweemaal zeggen — en toen-ie bij de soldaten kwam, ook op z’n kousjes, toen droegen ze ’m rond, zo blij als ze waren, dat ’r al één kind was gekomen — tegelijk, zo’n tovenaarster was die Fee, had ieder weer z’n eigen schoenen aan de voeten! Wat ’n wonder, hè! kinderen? Nou ben ik uitgepraat — en nou wordt ’t bedtijd — nee vanavond vertel ik geen lettertje meer. Doen jullie nou maar goed je best, grote meisjes, om braaf te leren breien en vooral te stoppen, omdat als zo iets weer eens gebeurt, je vader niet voor schandaal met stukkende kousen loopt!....

’r Handen, zo rood als bloed bij de gloed van de schouw, vouwden in zwijging.

Samuel Falkland.

Uit: Schetsen. Amsterdam H. J. W. Becht.

Sluiten