Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEHEIME STRIJD.

Er stond op de oude Weteringschans een zeer stille boekwinkel met een diepstenen kozijn, ’t Was een oud-grijs gebouw, dat mij altijd lodderig leek te suffen in dit oude stads-kwartier. Schoon van óns huis af een verre buurt, trok ik er toch maanden en maanden lang, iedere dag heen. In de étalage, op schuine planken, pronkten al de werken van Aimard en Jules Veme. Ze knusten er lustigjes in hun helle kledij bijeen. — In de zon scheen het blauw van de Jules-Verne-bandjes me een stuk azuur toe, één duizelend-diep uitgespannen firmament. En de gouden starretjes rond de krulletters van zijn naam, leken mij door de zon zelve op de kaften versierd

en ingesneden. Zijlings, de boeken van Aimard. De titelplaten

koper-rode Indianen, met hun kleurig veer-gewapper in strijdvurigheid op hun schuimbekkende, steigerende rossen, de tomahawk woest rondzwaaiend. Er tegenover: de plaatjes-mooie blanke jagers, met edel-gepoetste gezichten fier en almachtig.

Er bestond voor mij geen zaliger uur dan daar, popelend van verlangen, vóór dit venster naar die boeken te turen; onder een rode April-zon tegen de avond naar die roodbeschenen ruit; en dan de glanzen zich te zien verspiegelen over mijn koperen Indianen. 0! zo n rijtje boeken te bezitten, te bekoesteren, voor je zelf, heel-alléén te hebben. En dan onafgebroken te blijven in de omgeving van al die heldhaftigheid, dat verre die wouden.

Ik had eindelijk besloten. Ik was ruim tien jaar.... Ik kreeg iedere week vijf snoepcenten, bijeengegaard van drie tantes. Ik hield ze warm-gekneld in ’t knuistje. Mijn broertjes en vrindjes gingen snoepen. Ze lokten me mee, maar ik leefde sterk in mijn besluit. Ze kochten lange, zoete slierten veterdrop.... kleurballen— Ik kreeg ’t benauwd, de verzoeking kriebelde me in de

keel. Ze kochten kleine stukjes vuurwerk Ik keek gretig naar

hun inkoopjes, knelde in de muffe snoepkelder alleen de centjes

Sluiten