Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog warmer op elkaar in ’t knuistje. Ik voelde me op een torenspits staan, zo ijl ademde ik. Neen, ze konden me niet meer verlokken.... Want ik had met me zelf een geheim verduisterd.... Ik móest, móest sparen, sparen, altijd maar sparen. Dan zou ik, op ’n goede dag, doodleuk de winkel op de Wetering binnen gaan en recht op den man af vragen:

„Mijnheer, mag ik astublieft dat nee, nee dat.... zonder

vlekjes,— dat boek van u dat van Jules Veme „De

kinderen van Kapitein Grant”.”

t Leek me smetteloos in zijn email azuur.

En dan later weer zou ik instappen en fier vragen: „Mag ik

nu dit boek mijnheer,.... ja juist.... dat „Edelhart”.” En als

de mijnheer-uit-de-winkel dan zou zeggen „ken jij die boeken?”

....dan zou ik hem met gloei-ogen verhalen van mijn vriendschap voor Edelhart. Dan zou ik hem vertellen hoe ik de bomen hoorde ruisen s nachts in de prairiën van het verre Westen; hoe ik met

den roden Sachem der Comanchen de vredespijp rookte O!

ik zou verhalen van die donkere toverij der nachtelijke savanah.... Maar eerst geld.... geld hebben.

Eens op ’n keer trok ik de stoute schoenen aan, liep de stille winkel op de Wetering in en vroeg hoeveel die boeken wel kostten. Door de winkelruit zag ik een wasvrouw voor ’t kozijn, met een mandje oranje-appelen. Ik dacht dat ze vuur droeg. De bediende, droog en scherp, keek me aan. Ik had met piepklein stemmetje schuchter gevraagd. Ik beefde van ontroering en ik keek of de wasvrouw met haar sinaasappelen nog voor ’t kozijn gluurde. Ze was weg. Ik schrok er van en ik durfde nauw mijn vraag herhalen.

„Welke boeken ?” vroeg hij droog als een rasp. Ik wees „Welke ?”

vroeg hij ongeduldiger— Ik wees weer. De man strompelde met zijn jichtvoet achter een grote tafel uit. Zijn hobbelige gang verschrikte me. Zóveel moeite voor een ventje dat niets kocht

„Een-negentig” raspte hij er uit. Ik droop af, vol schaamte. Ik had pas vijf-en-dertig cent op een gloeiend hoopje bijééngedrukt in mijn zak.

Sluiten