Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slangerig te bewerken. De zomer was zo gloeiend en ik zo kaaltjes. Ik was bezweken. Ik had achttien hele centen verbruikt, achttien! Wel honderd maal op de dag telde ik af.... Nu nog maar zóveel. Ik voelde me weer verder dan ooit van mijn Indianen, mijn azuur der Jules Verne’s. En ik snakte zo, vooral tegen schemer, naar mijn boeken op de Wetering. Op school, thuis, in bed, onder vriendjes, overal rook ik de gasgeur van de Schans. Ik zag alleen maar de grote ruit, ’t blauw-goud van de Veme’tjes— ’t koper van Aimard.

Het knaagde in me. Toch hield ik me dapper.... want ik zou, zou mijn schade van de brasserijen weer inhalen.... Ik schold me zelf een windbuil, die langs een fluwelen troonhemel de woestijn wou bereiken. Bah!

Op een avond, doodmoe van ravotten na de maaltijd, sjorde ik me naar boven en viel pardoes op een stoel bij de alkoof in slaap. — Ik had éven nog mijn warme centjes horen rammelen in mijn zak en gerust-gesteld viel ik om. — Ik werd uitgekleed,

naar bed gesleurd Ik wist van niets meer.... zo hevig bevangen

van vermoeienis en vaak. — ’s Morgens vroeg schokte ik wakker,

klaar wakker. Uitgekleed?.... In bed? Ik begreep er niets

van Ik voelde me nog op de stoel, ’t gezicht op de leuning

gedrukt, in zware dommel. — Plots bezinning.... een wilde sprong naar mijn broekje, dat vreemd-slobberig bij mijn bed hing.... Een

kreet, een huil zo èrg dat ik er zelf van schrok Al m’n geld

was gekaapt ik gilde van verdriet en woede. Ik huilde en stampte

op de vloer een nikkerdans van drift. Ik schold m’n broertjes uit

voor dieven, de meid een oude nicht.... bij ons inwonende.

Ik wist niet wat te beginnen van wanhoop, op welke wijze me uit te snikken. — De hele familie kwam er bij te pas. Bestolen was

ik voor vier-en-tachtig centen Ik vertelde, gemarteld van

schaamte, mijn sparen in ’t geheim, schoon ik wist dat mijn moeder een hekel had aan boeken-gekoop. Niemand, dacht ik, begreep

mijn hevig verdriet Eén toch wel de sul van een goede oude

nicht. Ze riep me op een apartje, zoende me en zei, terwijl ik toch

Sluiten