Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens was het anders hier ter stee, Wanneer een voord den weg doorsnee, En ’t brugje, naast die voord geleid, Den smaad droeg van zijn nieuwigheid. Ik vond een boek, dat meldt daarvan, Wat volgen moet, zoo ’t rijmen kan.

*

De voord, dan min dan meerder diep, Naar sloot en scheigrep stond of liep, Was Almens gansche tempelschaar — Vooral de Meisjes tot bezwaar;

Met schade aan dure feestkleedij Kwam menig aardig kind niet vrij;

Men raakte in zweet op ’t lange pad; Men vatte kou in ’t modderbad;

En de ijver om ter kerk te gaan Bragt buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet,

In Almens needrig dorpsgebied;

Van toen de Meid1) per bezemstok,

Den schoorsteen uit daar overtrok,

Tot, na verloop van eeuw en dag,

De Tooverkunst begraven lag;

Wanneer een Kerkedienaar kwam,

Die ’t oud gebrek ter harte nam,

En, op een morgen, na ’t sermoen,

Zijn woord aldus begon te doen:

„Mijn vrienden, in mijn prillen tijd, Ten herder van dit oord gewijd, Zwom ik, met onbezweken trouw,

7 „Des papen maget van Almen”, om tooverij verbrand, in 1472.

Sluiten