Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn kudde voor, naar ’t kerkgebouw. Ook heden nog, hoe grijs van kin,

Schoot ik getroost den slibkuil in;

Maar ’t wil niet meer, en blijft het dus, Zoo heet ik ras emeritus,

Met droogen hoest en jicht bezocht, Verlaat mij kracht en ademtogt.

Nog tweemaal als vandaag doorweekt, Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een Brug, op ’t smalste, naast de voord, Uit planken van ’t geringste soort,

Ziet daar mijn wensch! Vergeet toch met, Wat ge in dien poel al schoenen liet! Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed, Bedorven door dien moddervloed!

Ligt vindt gij, eer het werk verjaart,

Uw uitschot dubbel ingespaard;

En ik behoef dan baai noch drop,

En luik weer als een arend op!”

Hier zweeg de Man. Zijn aanspraak had De luidjes bij hun zwak gevat.

Het stuk kwam ernstig op ’t tapijt;

En wat men hoorde, wijd en zijd,

Was, viermaal dertig dagen lank,

Slechts palen, balken, rib en plank;

En driemaal dertig andermaal,

Slechts planken, ribben, balk en paal!

Ja, ’t scheen, zoover de Berkel vloeit,

Zou ieder boord met hout beschoeid;

Of dat een reuzenzoldering

Den ganschen stroom verdekken ging.

Doch, met Aprilmaands lesten dag,

Sluiten