Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moest blind zijn, die de brug niet zag! Nog blinder, die met Juli kwam,

En niets van ’t groen portaal vernam,

Ter dankbetoonende offerand,

Door ’t Maagdengild daarop geplant!

’t Had reden! want, Koe kerksch men was. De vlierpot bleef nu in de kas;

Kalmink nog sergie liep gevaar;

En schoenloos werd geen wandelaar.

Zoo groeide een wijsgegeven raad Ten milden oogst van zegenzaad!

En toch, dat werk, met roem bedekt,

Had Scholte Stugginks gal gewekt!

Daar kwam hij! zonder ba of boe; Gelaarsd tot aan de heupen toe;

Een knubbelstok in iedre hand,

Kwam onze Paai, en stak van land,

Zoo vaak de preekklok werd gehoord,

De brug bezijden, in de voord!

Het vroege kerkvolk, droog daarnaast Was van dit vreemd bedrijf verbaasd,

En ’t vragen keek uit elk gezigt;

Doch ieder hield zich wijslijk digt:

De troep kwam later op het pad,

Waar Scholte Stuggink praat voor had: Zijn makkers, uit den gulden tijd,

Dien vlieger, tol en bal verblijdt.

’t Waarom en hoe bleef dus gespaard,

Tot Wolter, naar den eisch bejaard,

Door gunstig toeval, juist van pas Getuige van ’t spektakel was.

Sluiten