Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In Goos naam, zeg ons, Scholtebuur,”

Hief Wolter aan, „wat raarder kuur!

Hoe plompt gij ons zoo dol voorbij?

Geloof, de brug draagt u en mij\"

„Ja, ’ klonk het uit de modderzee,

„De Scholtebuur en gij zijn twee!

Gelooft hij niet wat gij gelooft!

Zoo menig mensch, zoo menig hoofd.

Zie daar! al werd uw brug van steen,

Toch zal ze Stuggink nooit betreen!

Wie eere geeft krijgt eer weerom:

Onze ouders waren ook niet dom!

Een brug valt licht in een te slaan;

Onze ouders hebben ’t nooit gedaan;

Zij gingen, waar nu Stuggink gaat,

Eeuw in eeuw uit, de modderstraat.

Al weten wij de reden niet,

’t Is vast op goeden grond geschied;

En hebt gij hier een brug gemaakt,

Zoo hebt ge uw’ ouders eer geraakt!

Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;

De klok houdt op; ’t is negen uur.

Bouwt Gij een brug om droog te gaan?

Ik kom er ook, met laarzen aan!

A. C. W. Staring.

Uit: Gedichten. Haarlem, 1862, A. C. Kruseman.

Sluiten